Wil niet meer

wil geen tranen meer
huilt het kind
wil pijn vertrappelen
stuk bijten
verscheuren
in repen
die troostend langs mijn wangen glijden
en deppen
de wonde waaruit verbittering sijpelt
om beelden die zwarte kringen kerven
in de tuin van opgehoeste dagen

stil nu maar
fluister ik
je mag rusten
in mijn ziel geborgen zijn
ik sluit de ogen van je droom
morgen ontvouwt zich een nieuwe dag
tover ik een glimlach op je mond
en kneed ik een masker voor je verdriet

        ©   Merel

Eindstreep

er ligt wat afgeschraapte huid
in het sneeuwveld van ijskoud
dunne lagen pijn
naast gestolde bloed doorlopen tranen

ze kleuren witte kristallen
die onthutst
het verhaal omhelzen

niet begrijpend waarom kinderen
fietsend op die ene tak
van hun levensboom
zo maar naar beneden vallen
en de eindstreep
veel te vroeg ontmoeten

       ©  Merel

Stergezicht

hoe een stergezicht
mijmerend naar beneden kijkt
licht gevend schijnt in het verhaal

hoe een droom
ontvankelijk wordt
wonderzinnen schrijft
als een wit verlangen
in een koude winternacht

en zij
die hoop minnend blijft geloven

kust vast gevroren lippen
die verkleumd eenzaam op een ijslaag liggen
verwarmt ogen
als blikken zonder kristalglans verdwalen ze
in een sneeuwstorm van niet kunnen

en in haar vleugels
gesterkt door een lichtgevend iets
mag het lichaam even rusten

er vallen fluistersterren uit de lucht
zo maar in de schoot van verder gaan

            ©  Merel

Voor jou . . .

ik zie woorden aarzelen
hoe ze zoeken
naar de mooiste zinnen in het letterbos
geen scherpe kantjes
alleen wat zachte laagjes
en een mantel van gevoelens
die troostend schouders streelt

behoedzaam komen ze wat dichterbij
of ze je ziel mogen raken
en zwarte randen lichtgevend kleuren

ik denk aan vandaag
hoe pijn als messteken in je snijdt
en kerstmis sneeuwtranen in je handen legt

ik wil ze voor je verwarmen
zodat ze als sterren
fonkelende herinneringen bij je brengen
je verdriet opvangen
vragen om stroomafwaarts een weg te zoeken

ik wil er zijn voor jou
maar weet niet wat zeggen
nu
ik mis je
zo benauwend naast je loopt

             ©  Merel

Sneeuwwoorden

hoe sneeuwwoorden uit de hemel vallen
mijmerend een zinsverhaal bedenken

hoe vlokken groeien
in de buik van winterwolken
popelen van verlangen
ze worden nieuwsgierig 
vertellen droombeelden
vragen zich verwonderd af 
wie als eerste de aarde zoent

en in de nacht van intense stilte 
opent te zwaar beladen 
behoedzaam de deur van ik laat je gaan

ze twijfelen even 
nu ze zien hoe lang de reis zal duren 
doet het vallen pijn 
is er iemand die zachtaardig is

tot een kristal naar beneden dwarrelt 
in haar onderweg geniet 
van het rustgevende van het ogenblik

ontroerd schrijft ze de eerste letter
van een winters dicht verbonden zijn 

           ©    Merel

Winterwoorden

ze verdwaalt in winterwoorden
die ijspegels ketsen op het stilstaand water
haar zielenoog sneeuwt tranen
en de kamer langs haar linker boezem
is koud nu vonken niet meer vlammen

langs de stroom van eens bemind
klappertanden vingers
en het lichaam verkrampt
gegeseld door de gure streken van de wind

er zijn geen zinnen meer
die in het heetste van het spel
prikkelend langs haar benen kruipen
de heuveltop schildert een winterlandschap
en mijmert beelden in een kristalspiegel

                ©  Merel

Winterdromen

waarom winterdromen
koudzinnig waren

ze zag hoe een ijspegel
weemoedig naar beneden bengelde
alsof hij niet begreep
dat het lichtinval
zachtaardig zijn kristalglans beminde

er hing een open hemel in de lucht
met wat blauw donzig welbehagen
een winterzon die straal krachtig was
warme lijnen kleurde op beladen schouders

en hij die droom gebogen
naar de witte velden staarde
ijsbloemen tekende in het niets
begreep niet hoe iets in hem nog leefde

toch zong een merel
hoe ooit een gele roos zou bloeien

           ©  Merel