Zielstranen

ik heb zielstranen gelezen
in de ogen van je zorgen
ze voor je opgevangen
in de wiegegondel van mijn liefde

ik wikkel ze
in het rustgevende van lavendelzinnen
en vraag de maangodin
lichtgevend over je sterrenkind te waken 

ze weeft een deken van geborgenheid
verlicht zijn dromen bijna uitgedroogd
fluistert hoe eentje met wat levenswil
de weg opnieuw wel weer zal vinden

ze dicht wat lieflijke stralen
die jou en hem verwarmen
en met een slaapwel gebotteld in haar ik
mag je rusten in haar vederlichte wolk

          ©   Merel

Advertenties

Vingers

vingers
als bloesemvruchten
blozen kleur

dwarrelen speels naar omlaag
minnezoenend
trillend in hun onderweg

schrijven op een huid
verwarmd door het liefdeslicht
hoe het duinkleed glundert
nu twee ikjes
samen het maanrood vlechten

          ©  Merel

Aan de oever van haar zinneminnen

aan de oever van haar zinneminnen
bladert een dichter
weemoedig 
doorheen de golfslag van zijn verhaal
en het ruisen van haar poëzie
gaat verloren
met het zuchten van zijn zinnen

tot haar verzen
moe van het zweven
zijn lippen zoenen
verkleumde woorden weer doen leven
en een vrouw
haar duinkleed naast hem legt

          ©  Merel

Als die ene golfslag

als die ene golfslag 
naar je branding hunkert
een watervrouw druppels sprenkelt
en in de bedding van je huid
zandkorrels voor je dicht

dan geurt een duinroos naar verlangen
en kijk je verwonderd om je heen

er zweven verzen
uit de ziel van haar poëzie
als het liefdes ruisen
aan de oever van haar minnezinnen

       ©  Merel

Je hebt je ik

je hebt je ik in mijn armen gelegd
vraagt me om het missen
in lieve woordjes te wikkelen
 
als je dichtvrouw 
wieg ik je in mijn verbonden zijn
je zielsdroom geurt naar verlangen
behoedzaam mag hij mijmeren
in de kamer van mijn schootzinnen

met liefdesvingers
leg ik een pleister op je heimwee
als raakwoorden die fluisteren
hoe dichtbij ver weg kan zijn

ik heb het licht gekust
en in de weerkaatsing van je gemis
sta ik je op te wachten 
in de branding van mijn tederheid 

         ©   Merel

Als een aangespoelde dichtvrouw

als een aangespoelde dichtvrouw
droomt hij haar
bij de zandbank van zijn ochtendmijmering

gehuld in mistsluiers
lijkt ze onbereikbaar  
als een lentepoëzie die wegglipt
tussen de korrels van het zand

tot een zeezucht uit zijn mond ontsnapt
een zonzoen  minlievend
langs zijn nevelbranding kuiert
en het windgefluister zijn zielshuis streelt

nog even dan vloedlijnen golven
vurig van verlangen hoe ze op je wacht
en je teder wil beminnen

daar waar twee meeuwen verstrengelen
in het duinbed van haar ik
dicht ze voor jou haar  zinnen 

      ©  Merel