Een lichtgevend iets

er kroop onrust in een lichtgevend iets
daarnet mijmerde ze nog op een vederlichte wolk
die zich liet drijven in de zinnen van de wind
en in de lucht gelukkige hemelsluiers schreef

tot ze blikken wierp naar het benedendal
en zag hoe een vrouw schuldige gedachten schreef
ze voelde zich verbonden met haar pijn
proefde van het verdriet dat zo bitter smaakte

ze kwam lichtbrengend dicht bij haar
kleurde grijze spinsels hemelsblauw
in haar schoot legde ze een kristalheldere parel
die als een warme stroom haar ziel ontmoette

emoties eens als een zwerver op de dool
ankerden zich in het gemoed van een bijzonder iets
de vrouw ontdeed zich van haar zwaar beladen mantel
greep gretig naar het omhulsel van het goed gevoel

            ©          Merel

Mijn wolkje

of je me nog herkent
ik kwam eens moe gevlogen bij je langs
mocht van je rusten
in je witte wolken watten
waar ik in het donzig zachte mezelf tegenkwam

je sprak me aan met je wijze wolkentaal
liet me verstaan om even halt te houden
mezelf opnieuw te ontdekken
in alle stilte te luisteren naar die ziel van mij
zij is het die me kent
en weet hoe zwaar beladen
mijn vleugels soms niet meer kunnen vliegen

of je me nog herkent
vandaag voelt zo verschrikkelijk moe

                ©  Merel

            

Mijn ziel

zeg het aan niemand
lees ik in mijn ziel
ik zie hoe ze verlegen
gevoelens van zich af wil schudden
alsof ze te bedeesd
niet durft zeggen
hoe liefde met de verwarring danst

laat me nu maar alleen
fluistert mijn ziel
ik kan niet vertellen
hoe mijn zielenogen
vol verlangen fonkelen
en mijn lippen
als een monotoon gemompel
in alle stilte een naam herhalen

toe huil nu niet
ga niet in weemoedige dromen bladeren
volg de voetstap van je onderweg
voel hoe klaproos blikken
bemoedigend naar je knikken
jij zo veel sterker dan die ziel van jou
pluk het ogenblik dat naar je lacht
en zeg de woorden die stilzwijgend
als vastgeroeste zinnen bij me blijven

               ©  Merel

Een woord

er zweefde een woord in de lucht
pijnlijk in het verteren
met traanvocht
dat naar niet begrijpen smaakte

ze wist niet waarheen
zocht een plekje
waar smeulende zinnen
een band van welbehagen schepten

ze droomde van een ogenblik
te mooi om waar te zijn
zocht tussen grijze muizenissen
naar een streepje hemelsblauw
 
ze verdwaalde in haar mijmeringen
liep verloren tussen sombere wolken
tot een blik met ogen van verbonden zijn
vleugelwoorden bij haar bracht

ze zocht beschutting in het herkennen
nestelde zich in dat ene woord
samen begrepen ze de betekenis van het zijn
klapwiekend volgden ze hetzelfde licht

            ©  Merel

       

De taal van de zee

ik dacht de taal van de zee te begrijpen
zag hoe mijn voetstap in het zand
een afdruk van mezelf achterliet
nam wat korrels in mijn hand
begreep dat ik niet vast kon houden
en liet mijn vleugels eenzaam
de bedrukte wolken verkennen

ik gooide woorden in het water
sprak van voor eeuwig los te laten
dat wat aan me kleefde
en zielsverbonden bij me bleef

hoe kon ik weten dat de golven
gulzig mijn woorden tot zich namen
ze ontrafelden en tussen zinnen lazen
en met een koude golfslag
het vastroesten weer bij me brachten

           ©  Merel

Vleugels

mag ik je vleugels even lenen
voor een keer weten hoe het voelt
dromen in het hemelsblauw
rakelings de wolken volgen

dan vlieg ik nog eens vlug tot daar
waar gisteren rustgevend me in de armen nam
de duinenrij eindeloos de horizon begroette
en  golven met een charme offensief
speelse blikken wierpen naar het strand

dan wil ik nog een keer dat meeuwtje zien
dat lachend mijn schouder streelde
en met schelpen verzameld in zijn onderweg
adembenemend mooi schreef in het korrelige zand

mag ik je vleugels even lenen
sterke vleugels die klapwiekend voor mij de weg verkennen
me meenemen naar die grote waterplas
dan vlieg ik boven golven, strand en duinen
en mijmer ik een hongerig verlangen

          ©   Merel

 

Verwonderd afvragen

ook maanrood vroeg zich verwonderd af
waarom de dichter zo naar woorden zocht
met letters die schitterden in het avondlicht
geen zinnig woord kon schrijven
hij wanhopig tussen vergeelde dromen ploeterde
zoekend naar dat ene iets dat dicht bij hem kwam
en zijn dichtershart wist te beroeren

voelde hij dan niet hoe maanstralen
als gevoelige snaren zijn ziel bespeelden
de maangodin verleidelijke blikken wierp
er zo veel warmte in haar brandde
en een stroom van licht hartstochtelijk liefde schreef
ze had woorden in haar schoot
zo mooi om te beminnen

        ©  Merel