In de steek gelaten verzen

hij heeft zijn verzen in de steek gelaten
de winter duurt veel te lang
en woorden
eens teder kuierend in zijn gedachtegang
rillen koude letters

het lijkt alsof is gezegd

toch is er nog een zin die hoopvol naar hem kijkt
ze blaast wat hete adem op zijn vingers
en in een kootje lijkt iets te bewegen

hij kraakt nog heel even 
tot een glimlach zijn vertrouwen streelt  

morgen dicht hij
een warm spoortje in mijn buikgevoel

             ©  Merel

Het regent nog steeds

het regent nog steeds
en de blos op onze wangen kijkt hunkerend naar buiten

zullen we ravotten
in een bui van tederheid

op straat lopen mensen
ineengedoken
kniezend doorheen het miezerige van de dag

en wij zijn uitgelaten
strelen nog steeds  de vonken van de nacht
springen, rennen in het rond
en omhelzen de glimlach van een waterplas

                  ©  Merel

Je dichtte woorden

je dichtte woorden
onder het deken van je nacht
en al was het pas eind februari
je noemde het zomervruchten
gerijpt in de groeven van je huid

je fluisterde het liplezen van de ochtend
in de spiegel van onze poëzie
als de passie van een huiverend nieuw begin

           ©  Merel

Misschien

misschien gaat het straks wel regenen
dacht je
en het leek alsof
in de treurwilg van de nieuwe dag
een traan zich moeizaam
doorheen het geboortekanaal wrong

ik moest vooral niet droevig zijn
liet je me weten
je had wat plaats voor me vrij gemaakt
in de binnenzak van je regenjas
dicht bij de warmte van je ik

                  ©  Merel

Je ligt ’s nachts te woelen

je ligt ’s nachts te woelen
kom je me vertellen
en de spinsels die je staan aan te gapen

je krijgt ze maar niet weggespind

misschien kan ik je wel helpen
antwoord ik met een warme lach
ik heb wat dromen liefjes toegedekt

ze komen uit dat ene kamertje 
hunkeren nog steeds
en als ik naar ze kijk
klopt hun hartje net ietsjes sneller

kom sluit je ogen maar
ik geef je een stille zoen
sla mijn armen om je heen

en weet je
die droom van jou en mij
nog heel  even en dan …

                 ©  Merel

Te groot voor poppemie

te groot voor poppemie 
nog zo gekwetst van binnen 
komt  ze voorzichtig uit de kast

ze is als porselein
breekbaar en bijna niet aan te raken
nog steeds zo bang

buurman is niet meer
en toch ziet ze hem nog steeds
als hij als een nachtmerrie
met haar tussen de lakens kruipt

             © Merel

Het voelde veilig

het voelde veilig in die ene kast
het beven had ze van zich afgeschud
lag op de vensterbank nog even na te hijgen

hier speelde ze verstoppertje
dacht vast en zeker
dat die vieze oude man haar niet kon vinden

alleen poppemie kende haar verhaal
het leek zelfs alsof het stilzwijgen haar wat troostte

en de vlechtjes
te strak gespannen in het meisjeshaar verkrampten
nu buikpijn bloedrood schreeuwde van verdriet

het werd lente
ze deed de deur op slot
en durfde niet meer buiten spelen

          ©  Merel

Kiemzaad

ze houdt het kiemzaad in haar handen
is het dit waar ze zo lang op wachtte
vraagt ze aan de bron van verder gaan

naast haar knijpt het kind
zachtjes in haar terugblik
hoe jurkjes haar benauwden  
en dromen als papieren bootjes
eensklaps verdronken

zo veel liever kroop ze in de kast van stilte
ver weg van buurmans ogen
die met monsterblikken lonkte
naar de prille borstjes van het meisje
hoe ze huiverde toen zijn handen ….

ze sluit haar ogen
als ze nu een vaarwel mompelt
misschien streelt de vrouw die in haar woont
wel zachtjes haar ik
en fluistert een laat nu maar los

         © Merel

Ze wist eerst niet wat het was

ze wist eerst niet wat het was
er viel iets uit de lucht
een beetje aarzelend
alsof het echt niet wist
of het vandaag mocht openbloeien

het verwarmde zich aan een vroege zonnestraal
geurde naar verlangen
en mijmerde een glimlach in het gras

wie ben je
vroeg ze nieuwsgierig
je voelt  zo bijzonder
als iets om in mijn ik te koesteren

weet je het dan niet
glunderde het goed gevoel

ik ben dat iets zo lang naar uitgekeken
het kiemzaad van een prille lentedag

                         © Merel