Wanneer herfstadem

wanneer herfstadem
verkleumd je mond omzwachtelt
je ineen gedoken van de koude
niet weet hoe je lichaam te verwarmen
en de wind meedogenloos
verkilde woorden bij je brengt

dan wil ik je lippen beroeren
met hese stem
je tong met vuurvonken besprenkelen

zielsontmoetend in je dalen
zwoele zinnen spuwen
die je ijslaag verbrijzelen
ik golf
doorheen dat wat langzaam ontdooit
vertel je hoe heet de nacht kan zijn
ontkleed me van mijn laatste schroom
en zie hoe je blik verlangend me begeert

            ©  Merel

Dood van een dichter

je bouwt schaduwbomen
knoopt rafels in de wolken
zwijgende woorden
gebeiteld in een verkrampt gezicht

ik voel hoe koude huiver
door angst bevangen
je zielskamer bewoont

je wilt vluchten
voorbij de golven
opgeslorpt
door een zee van vergane strijd
en het klotsen van je poëzie
bonkt ademnood
nog even drijf je
dobber je in vergane glorie
tot je anker de strijd verliest
en zinnen als wrakhout aanspoelen
gestorven voor altijd

         ©  Merel

Herfstkind

en het kind dat regendruppels telt
nu zwart-wit met wat nevelslierten danst
kijkt verlangend naar mijn schoot

vraagt me waarom hij niet
opnieuw in het geborgene mag spelen
misschien ontwikkelt zich een ander gen
dat kleurrijk horizonten voor hem schildert

ik zwijg
zoek naar woorden die het grijze verbrijzelen
zie hoe bomen hoofdschuddend met bladeren
een mantel van beschermen weven
hoor hoe oude takken kraken
als schaduwen het kind vertellen
hoe ook herfstdagen wat lichtinval brengen

ik raap wat troosteloze zinnen op
ergens is er vast een mistgordijn
de wind die hoopvol waait
en wat klaarte in zijn blikken mijmert

              ©  Merel

Laat me maar

laat me maar
ik zal je leiden
in de dagen die als ruwe bolsters je omringen
met stekels die aanvallend naar je kijken

het geeft niet
ook al ben je zwaar beladen
ik zal je lagen pellen
een voor een
zodat je vederlicht
in mijn vleugelhuis mag wonen

ik neem de stilte uit mijn ziel
verwarm je met ontvankelijke zinnen
laat je woorden naast me rusten
en draag het leven wel met jou

          ©  Merel

Naakte zinnen

ik heb mijn woorden voor je uitgekleed
me aan je bloot gegeven
je laten zien hoe in mijn ziel
stuk gebeten letters
zich spiegelen in de ogen van de pijn

van aan de kant kruip je tussen regels
roept me toe voorzichtig te zijn
je ontleedt hoe mismoedig mijn naakte zinnen
bijna ondergaan in een draaikolk van niet kunnen

ik dacht met alles wat ik je gaf
wat poëzie in je schoot te lezen
maar met een vleugelslag vlieg je weg van mij
ik hoop je nog stroomopwaarts te ontmoeten
tot rimpels in de golven schrijven
hoe je mijn verdriet geen troost kunt geven 

          ©   Merel

Je kijkt achteloos

je kijkt achteloos om je heen
weet het lichtgewicht geen plaats te geven
de herfstbladeren doen je denken
aan donkere avonden die zwarte zinnen breien
je kruipt onder de kilte van het deken
voelt hoe woorden rillend van de koude
met je voeten spelen en als een ijspriem
weten ze je zielenpijn te raken

ik heb nochtans wat kleur in het herfstminnen gebracht
laat het duister niet echt somber lijken
de kachel alvast voor je aangestoken
in de zetel van het mijmeren luister ik
hoe vuurvonken warmbloedig van zich laten horen
ik nestel me in de armen van het verlangen
droomknedend liefkoos ik mijn gevoelens

tot je plots verbaasd mij ziet zitten
mijn liefdesoog springt kaak blozend tot bij jou
kust een harde parel in je blik zachtaardig
en vraagt of je mijn honger wel begrijpt

            ©  Merel

Wat ik lees

wat ik in je ogen lees
is hoe moedeloos je weg blokkeert
een dwarsbomer knarsetandend je zinnen kraakt
en de wind luidkeels roept
dat dichterswoorden niet echt minnen

ik zie hoe zwarte schimmen
schaduw spinnend je omringen
kronkelbochten pijnlijk in je armen knijpen
en mondstil je niet weet wat nog te zeggen

ik heb wat lichtgewicht voor je meegebracht
een boeket van herfstbladeren voor jou bedacht
die kleurrijk warmte in hun nerven branden

ik heb een bed voor jou gedicht
waar je rustgevend alles naast je neer kunt leggen
een liefdesblik opent aarzelend je deur
en schrijft haar naam in je rechter kamer

                 ©  Merel