Die ene vrouw

in gedachten verzonken
omringd door stilte
ontvouwt zich een nieuwe dag

een lichtkind ontwaakt
met in haar blik een vergezicht
van oeverloos verlangen
en een stroom van hartstocht
schildert  vlinders in de lucht

voor die ene vrouw
met in haar schoot
het wiegen van de laatste bloesems
die bedeesd de weg wijzen naar haar ziel

als een bloem
ontwakend in het ochtendlicht
dauwdruppelt ze haar vrouw zijn
en droomt van een hete zomer

          ©  Merel

Ik weet nog hoe het kind

ik weet nog hoe het kind
de duinenrug beklom
hoe ze de lucht wou grijpen 
en vroeg
waarom ze geen vleugels had
want de zon weefde
gouden lokken in het haar

en hoe ze rende naar de zee
ze ging alleen maar pootje baden
dacht niet aan het water veel te diep
en golven die haar niet begrepen

nu sta ik aan de branding
is daar geen hand die naar me zwaait
en regen huilt vlechten in mijn tranen
die mijn ziel dichtsnoeren

hoe het kind aanspoelde
voorgoed verdween
in het lichaam van een meeuw

en ik
ik vraag me af
met welke vleugelslag
ze de wolken nu bekoort

       ©  Merel

De bedding van de zee

ooit neem ik je mee
naar de bedding van de zee
lees voor jou  in wat opspattend nat
het golfverhaal
waarin het licht
hongerig de horizon ontmoet
en watergeheimen
verwonderd het strand aanschouwen

er bonken herinneringen in de stroom
verlangen kleurt de huid 
zodat verschrompelen zich in het zand begraaft
en ogen blikken liefde
als vuur dat nooit zal doven

ik adem wat zinnen op je mond
en in het wolkendek glundert de maan
dicht voor ons twee lichamen
die ontwaken naast wat liefdeswoorden

            ©  Merel

Poƫzievleugels

witte stippen vleugelen poëzie
doorheen het blauw
de lucht mijmert stille blikken
en de zee golft gemoedsrust
in de schoot van de vrouw

een meeuw
moe gevlogen
strijkt neer langs de bedding van haar zijn

er is het ruisen 
dat stroom verwarmend haar ziel ontmoet
een windzucht fluistert ademwoorden
zodat het helmgras duinverlangend beeft

er zijn vleugels die aarzelend tot bij haar komen
en dicht zinderend haar lippen raken

               ©  Merel

Zeevrouw

ook al wikkelt het strand zich
in lagen die mist uitademen
zie je hoe nevelslierten
als gesluierde maagden
geheimzinnig
je geen heldere blik gunnen

er mijmert een schim
langsheen het water
blootsvoets
kruimelt ze een zandbank
tot korrels die verbonden woorden schrijven
in de vuurhaard  van haar zielskamer

er is iets dat haar honger stilt
nu het ruisen van de zee
als een symfonie van klanken
huiverend haar zinnen streelt
wat duinverlangen hunkerend naar haar kijkt
en het krijsen van de meeuwen
een welkom voor haar zingt

           ©  Merel

Alsof de zee

het is alsof de zee je geheim prijsgeeft
hoe je ooit de stilte opzocht
woorden nooit uitgesproken
gebroken in je stroom liet krijsen
om uitgeteld
aan de vloedlijn te verschrompelen

daar waar zilte tranen schreien
om zwijgend in het niets te verdwijnen
kom ik je tegen

ik ontmoet je strak gespannen huid
strijk ze met mijn vingertoppen glad
vraag je om mijn golvende bewegingen te lezen
die in mijn ogen eb en vloed weerspiegelen

of ik je draagkracht mag zijn
samen dobberen
in de schoot van het water

zie je de meeuw die ons benadert
met sterke vleugels die vertrouwen schenken
zielsverbonden blauwe kleuren fluistert
en de zon voor jou laat schijnen

           © Merel

Zeeadem

als zeeadem wat muze dicht
golven hongerend de taal begrijpen
de vloedlijn vurig van verlangen
mijmerend uitkijkt
tot de zon
blozend in de waterhorizon verdwijnt

bewegen in de duinenrij
twee lichamen 
met  het ritme van de zee
zijn er vingers die de huid bespelen
op de klanken
van het bonkend water

en als de maan vertederend knipoogt
zijn lichtbundel droom minnend binnenstroomt
verstrengelen
man en vrouw tot liefdesdraden
geweven in het heetste van de nacht

           ©  Merel

Zeemist

zie je hoe de zee in het niets verdwijnt
de horizon gekrompen is
en het wijdse zich heeft teruggetrokken

er wandelt een mistbank naast mijn voetstap
en wat dronken nevelbanken
weven parels in mijn haren

en toch heeft het iets
dat mysterieuze dat mij overvalt
alsof ik de hoofdrol in een film speel
het neervlijen in een duinenrij
de stilte die met mij een oog dicht knijpt

er is een vloedgolf van meeuwen op het strand
vleugels die krijsend de lucht invliegen
zelfs een zeehond weet mijn honger te stillen

ik zie hoe mijn dauwdruppels vreugdesprongen maken
en een dankbaar iets rustgevend me omarmt

           ©  Merel

Zeehonger

morgen dansen dauwdruppels in mijn schoot
als parels die het verhaal omarmen
volgen ze de golven van de stroom

tot een zee van thuiskomen
begrijpend luistert naar mijn eb en vloed
de wind behoedzaam mijn haren streelt
en meeuwen van het maanvoedsel proeven
speciaal voor hen gevlinderd
in de stilte van die ene nacht

er is een duinenrij die naar me kijkt
het fluisterend ruisen van de zee
de wijdse blik die rustgevend mijn ziel bemint

ik ben de voetstap die achterblijft
de mijmeringen die me overvallen 
koester ik als spiegelbeelden dicht bij mij

              ©  Merel

Het diepste van je zijn

in het diepste van je zijn
voorbij je onderstroom
daar waar golven
warmhartig je zielswand bevlinderen
op het ritme van het klotsen van de tijd

daar ben ik dicht bij jou
omarm ik je rivier
luister naar buikwoorden
die teder
je poëziegetijde voor me openen

er is een spiegelmaan
zachtmoedig knipoogt hij betoverende vlinders
en uit een zee

te lang een onbeschreven verhaal

aan de vloedlijn van het zinnelijk genot
vraag je mij
of ik van je watermond wil drinken

            ©  Merel