Een decemberdag

een decemberdag schuifelt moeizaam in de sneeuw
hij grijpt zijn weemoed stevig vast
zo bang om uit te glijden
en in de stilte van zijn dagen
kleuren bleke wangen zijn schaduwdromen

hij vraagt zich af waarom een koude echo in hem huilt
hoe het komt dat ijsscherven met kristalgruis huwen
en waarom het sterrenwit zijn hemelglans verliest

zijn splinters walsen triest de laatste dans
tot een lichtfluisterstem naar beneden glijdt
zijn weemoed aan haar lippen parelt
en hem weerkaatst aan de oever van haar ziel

            ©  Merel

Advertenties

Hoe de wind

hoe de wind eenzaam huilt
in het aangezicht van je pijn 
krom getrokken voetsporen hun greep verliezen
en verdwalen in vlokken die het laatste spoor wit wassen

je draagt weemoed op je schouders
als krakend hout te zwaar beladen
en je schaduw sluit een verbond
met levenslang dolen in het duister

toch is er ergens nog een vlammetje dat voor je ademt
als een wandelaar is het beschermend dicht bij jou
en als de geur van bevroren heimwee langzaam dooit
opent het voor jou een vergezicht dat zegt 

ik heb je lief

           ©  Merel

Ik schaats met woorden

ik schaats met woorden te lang gezwegen
over je bevroren vijver
rijm je in de ijslaag van je zinnen
en winter dicht me in je sneeuwkristal

ik strooi wat sterrenwit in de kern van je ziel
als warme voegen
die je in je onderweg verwarmen

en aan de oever van je zijn
voetspoor ik me in je witte deken
als een stil verlangen naar je ik

               ©  Merel

In de leegte

in de leegte van een bekraste  droom
zweeft een lichtwoord
langsheen de uitgeschuurde wanden

er huilen scherven
vergruisde resten van een mijmerboom
en uit de bevroren sporen van een ziel
sijpelen de scheuren van een liefdesdicht

het lichtwoord legt haar mantel naast zich neer
en uit het weefsel ontpopt zich een vrouw

ze is doorschijnend
en het lijkt alsof kristalzinnen in haar gloeien
ze steekt het vuur weer aan
en geeft de dichter de sleutel van haar voelen

                        © Merel

Kind zonder woonst

ze is twee, bijna drie
voor haar geen pretlichtjes dansend op een vensterbank
geen troetelbeer die mijmerend naast haar schommelt
geen vlokjes tellen in de lucht
en de sneeuw die kraakt wat heeft ze daar nu aan

ze is het kwetsbaar kind
op de dool  in een land van horen zeggen
haar blik is ijzig koud
en angst cirkelt knarsetandend om haar heen 

is er een slaapplek in de kilte van de nacht
zal morgen iemand haar honger stillen 
het beven van de kou
wat doet ze daar nu mee
de beestjes die in haar woelen
en het hoesten dat steeds erger wordt

ze is twee, bijna drie
en het Noordstation huilt met haar mee

             ©  Merel