Dichtvrouw

ik kom je dichtvrouw tegen
aangespoeld
vanuit de mijmergolf die je ooit droomde 

het lijkt alsof ze je zuchtwoorden hoort
weet ze me te vertellen 
en in haar bij je willen zijn 
dicht ze haar armen in je beven

ze heeft die ene zonzoen in haar ziel bewaard 
of je het nog wel weet
hoe dit je eens verwarmde 

en het maanzaad 
ooit gedicht in het dempen van het licht 
rijpt al die tijd vruchtminnend in haar schoot 

vannacht fluistert ze met stille stem
mag je slapen in haar poëziebundel
misschien maakt ze je wakker 
met haar vingers die verlangen schrijven op je huid

           ©   Merel

Ze lijken niet verbaasd

ze lijken niet verbaasd, mijn genen
schudden verzwakt hun hoofd
en murmelen met stille stem
hoe de speling van het lot
zijn stroom heeft uitgezocht

zoals die ene dauwdruppel
waarin het kristallicht geen weerspiegeling meer dicht

en toch
fluistert mijn ziel
is er iets dat zijn onderweg kleurt

hoe ondanks zijn nevelhorizon
levenswijsheid hem verwarmt
en het kind van mij met andere ogen
de mooiste lichtbundel weer ontmoet

           ©  Merel

Waarom heb je

waarom heb je in zijn licht geknipt
mompel ik tegen mijn genen
knijpt het je keel niet dicht
nu je ziet wat je hebt gedaan

hoe het kind van mij
zijn horizon in de schemer vlecht
en witte bloemen
in zijn gezichtsveld grijze spinsels lijken

ik heb je niet gezegd
om andere ogen uit te broeden
die zich half versleten nestelen
in veel te jonge blikken

ik lees vraagtekens in zijn pupil
en wieg ze in mijn moederhart

       ©   Merel

 

Een dauwdruppel

een dauwdruppel
gesponnen in het licht van het mijmerend begin 
kleurt een daggezicht
en in de weerkaatsing van kristalglans
zie ik je droomverlangen dansen

zwevend als een hunkerend ik-je 
voorbij de woorden die ik voor je dicht 
zomer ik voor jou mijn naakte huid 

ik heb je droom bevrucht 
met de hete adem van mijn zinnen 
en mijn ziel wil met je walsen 
in dat ene kleine kamertje 

        ©  Merel