Moederdag

De kilte in het huis
Je zetel in de hoek
Na al die jaren
Mis ik je nog steeds
Soms voel ik dat je bij me bent
Plots ben je weer heel ver weg
Zo veel wil ik je nog zeggen
Alles wat je nu moet missen
Mijn zorg draag ik nu zelf
Het mooie deel ik niet met jou

Een iets moet ik je nog zeggen
Die laatste maanden bij je thuis
Hoe dikwijls wilde ik je vragen
Nog eens je kleine meisje te kunnen zijn
Ik wou je zo graag nog eens omarmen
En troost zoeken op je schoot
Ik durfde je dat niet te zeggen
Je was zo breekbaar en zo broos
Mijn hele ik wou dicht bij je zijn
Maar je lichaam zat zo vol met pijn

Ik zal je witte rozen brengen
Morgen aan je graf

Gedacht

ze had echt gedacht
dat het huis vol belangstelling
op haar stond te wachten
maar aan de drempel
zag ze reeds hoe de deurmat
met grote afgeveegde letters
geen interesse schreef

nieuwsgierig had zich van huis vergist
misschien was hij toevallig bij de buren
de voegen sprongen uit de vergeten woorden
en stilte was zo akelig dichtbij
de woning met zijn hart van steen
voelde koud en kil
zelfs ijskoude klanken
deden alsof er niets was geweest

toch was er iemand
die haar met een glimlach begroette
heel toevallig
toen ze in de spiegel naar het zelfvertrouwen keek

Een traan

er rolt een traan
heel zachtjes naar benee
ze vertelt de stille pijn
van zoveel jaren reeds
ze smaakt naar het verdriet
dat alleen een moederhart begrijpen kan

ze knippert met haar ogen,
ik blijf sterk – neen ik huil niet meer
een diepe zucht, het lukt me wel
maar een tweede komt al snel
en dan nog eentje
ze huilt tot huilens toe

tranen

het ging ineens niet meer

Wachtkamer

witte stoelen voelen nattigheid
zweet druipt langzaam naar omlaag
angstvallig zie je bange harten drijven
in de plassen op de grond
mensen staren met bolle kijkers
vertwijfeld richting lange gang
wit getrokken gelaat met vermoeide trekken
niet verbergend hoe onzekerheid de meester speelt
even zie je iemand hoopvol kijken
nu witte schort zoekend langs de mensen loopt

buigt het hoofd en voelt de tikker bonzen
nu ze met schelle stem laat horen
         
jij bent nog lang niet aan de beurt

Het gedicht

samen zie je ze zitten
netjes op een rij
letters wachten op woorden
er is de kriebel binnen in
je verlangt naar een gedicht
maar woorden zijn soms koppig
laten je al eens in de steek

je gevoelens willen pronken
zinnen lezen op papier
gedachten staan te dringen
vertellen wat hen stoort
hoe moet je het verwoorden
voor een keer schrijf je geen gedicht

Mijn wiegenvrouw (1)

mijn wiegenvrouw
kon ik je maar geloven
verkrampt kijk ik naar omhoog
tel dertien zwarte kraaien in de lucht
ze prikken in mijn witte luchtballon
krassen dreigend naar de wolken
klanken doorspekt met zo veel pijn
halt roep ik naar mijn oren
mijn God, ik wil het niet meer horen

mijn wiegenvrouw
ken je de chaos in mijn hoofd
ze maakt het duister nog eens zo duister
ze botst  zo met mijn anders zijn
en kronkelt van verlangen
niet begrijpend waarom gewoon niet in me woont

mijn wiegenvrouw
ik wil wel maar ik weet niet hoe

Mijn wiegenkind (1)

mijn wiegenkind
ik neem je in mijn armen
wiege-troost je door de nieuwe dag
verkrampt komt weer tot leven
pijn mag in de vuilnisbak

mijn wiegenkind
luister naar het klankenspel
de merel wiege-zingt voor jou een lied
ik geef je vleugels van aanvaarden
laat je vliegen ver weg van het verdriet

mijn wiegenkind
ik teken voor jou een regenboog
hij wiege-kleurt voor jou een leven
vergeet het duister en de droefenis
en pluk de stralen van de nieuwe dag

mijn wiegenkind
wees maar niet bang
ik wiege-wieg je in je boze droom
we springen door de horizon
en drinken van het helder licht